
Een aantal jaren geleden begon ik vol goede moed aan mijn avontuur als pleegmoeder. Omdat ik geen eigen kinderen had, had ik nog niet zoveel opvoedervaring. Ik heb zelf, zoals zovelen van ons, een klassieke opvoeding genoten met straffen en belonen en zo zou ik ook mijn pleegkinderen gaan opvoeden. Natuurlijk werd van tevoren wel verteld dat het opvoeden van een pleegkind anders is dan een eigen kind. De draadjes met hun oude vertrouwde leventje worden plotsklaps doorgeknipt. Ze hebben zo weinig vertrouwen in zichzelf en in anderen, en het kost ons tijd om hun vertrouwen te winnen. Maar je moet het ervaren om te weten hoe het echt is.
De eerste periode was dan ook vrij zwaar. Niet alleen fysiek en praktisch, zoals ik had verwacht, maar vooral emotioneel. Waar sommige pleegkinderen zich de eerste weken of maanden sociaal wenselijk gedragen, liet mijn eerste pleegkind vrijwel meteen zien wie hij was. Om de kleinste dingen werd hij boos, en al snel vlogen de scheldwoorden maar ook het speelgoed in het rond. En ik had geen idee wat ik ermee aan moest. Vanuit mijn klassieke opvoeding ging ik straf geven voor dit gedrag, maar dit werkte alleen maar averechts. Hij werd steeds bozer, terwijl er nog geen sprake was van een echte relatie tussen ons. Ik moest dus gaan uitzoeken wat wel werkt. Ik had immers onvoorwaardelijk gekozen voor dit kind, ik voelde me geroepen door de Heer en geen haar op mijn hoofd die eraan dacht om het op te geven.
Ik ging me inlezen en volgde een cursus traumasensitief opvoeden. Getraumatiseerde kinderen staan vaak stijf van de stress en ze schieten snel in hun reptielenbrein. Dit betekent dat ze niet meer rationeel kunnen denken, maar instinctief reageren op bepaalde situaties. Er volgt dan een vlucht-, vecht- of bevriesreactie.
De grote fout die ik maakte was om dit gedrag te zien als gedrag dat kinderen onder controle hebben en dat ze zich zo gedragen om hun zin te krijgen. Dit is wat ons immers werd geleerd. Gelukkig leerde ik tijdig inzien dat dit niet zo is. Jazeker, ze proberen ons af en toe te manipuleren en daarom hebben ze strikte grenzen nodig. Maar dat is wat anders dan wanneer ze in een woedende bui gaan gillen en met spullen gaan gooien. Dit gedrag hebben zij niet onder controle en straf geven voor dit gedrag is zinloos. Wat ze nodig hebben op dit moment is een kalme volwassene, die probeert te achterhalen wat ze werkelijk nodig hebben en hier sensitief responsief op reageert. Achter dit gedrag gaat namelijk iets heel anders schuil, en daarop moet de focus liggen. Het gedrag is slechts een symptoom, en zal vanzelf afnemen naarmate de hersenen zich verder ontwikkelen en ze leren dat de volwassenen in hun leven ervoor zijn om hen te geven wat ze nodig hebben.
En hoe gaat het nu? Dit ontwikkelingsproces heeft tijd nodig, en het is niet zo dat de stoppen nooit meer doorslaan. Ik merk echter wel dat woedeaanvallen niet meer zo vaak voorkomen, ze minder intens zijn en sneller te stoppen zijn. Er kan zomaar een half jaar voorbij gaan zonder noemenswaardige incidenten. En af en toe kan er een periode zijn met een terugval. Het is dan van belang om te achterhalen wat er zo plotseling veranderd is en of daar iets in aan te passen is. Zo nee, dan is het nodig om zoveel mogelijk rust in te bouwen en onnodige stress zoveel mogelijk te voorkomen. En ook kan het zijn dat ik zelf terugval in oud gedrag (zoals sneller boos of geïrriteerd raken, negatieve consequenties verbinden aan ongecontroleerd gedrag of vergeten te focussen op de behoefte achter het gedrag). Dan is het zaak dat ik even kritisch naar mezelf kijk. Maar met deze manier van opvoeden komen we er wel, daarvan ben ik overtuigd.