Hechtingsproblematiek en hechtingsstoornis

Moeder en baby
Bron: Pixabay

Om als kind een gezonde ontwikkeling door te maken en een gezonde band met de ouders of andere opvoeders (hierna: ouders) te hebben is het van belang dat een kind veilig gehecht is. Dit hechtingsproces begint al bij de zwangerschap. Het kind heeft een gezond contact met zijn ouders. Een veilig gehecht kind durft zijn ouders voor een korte tijd los te laten, en gaat naar zijn ouders toe om getroost te worden en om in al zijn andere behoeftes te voorzien. Door een veilige hechting kan een kind stress reguleren. Ze hebben vertrouwen in zichzelf en in hun ouders. Hun ouders zijn beschikbaar en reageren sensitief op de behoeften van het kind. Deze basis heeft ieder kind nodig.

Wanneer het kind gedurende dit hechtingsproces veel stress ervaart, wordt verwaarloosd, of onvoldoende gelegenheid krijgt zich te hechten aan een vast persoon kan het proces verstoord raken, waardoor het kind onveilig gehecht raakt. Pleegkinderen lopen dit risico, omdat ze uit een verontrustende opvoedingssituatie komen, waar zij soms werden verwaarloosd of mishandeld, maar ook omdat sommige pleegkinderen vaak worden overgeplaatst van het ene naar het andere gezin. Maar ook kinderen die bij hun biologische ouders opgroeien kunnen veel stress ervaren tijdens het hechtingsproces. Denk bijvoorbeeld aan mishandeling, een postnatale depressie van de moeder of ouders die in hun jeugd zelf te maken hebben gehad met onveilige hechting.

Er zijn drie vormen van een verstoorde hechting te onderscheiden:

  • vermijdende hechting
  • ambivalente hechting
  • gedesorganiseerde hechting

Bij de eerste vorm is sprake van kinderen die hun ouders negeren of vermijden. Ze zoeken geen troost, ook niet in een situatie waarin een veilig gehecht kind dit wel zou doen.
De tweede vorm heeft betrekking op kinderen die juist erg ‘claimerig’ gedrag laten zien bij hun ouders. Ze reageren zeer heftig op afscheid. Zij ervaren vooral de wereld om hen heen als onveilig.
Bij de derde vorm vertonen kinderen tegenstrijdig gedrag. De terugkeer van hun ouders lijkt eerder stress op te leveren dan deze te verminderen. Het is een combinatie van de vorige twee vormen.

In het DSM-V wordt de reactieve hechtingsstoornis beschreven, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het geremde type en het ontremde type.
Het geremde type voelt zich afgewezen en ongewenst en wijst toenadering af. Het kan onvoorspelbaar reageren. Het kan bijvoorbeeld eerst lachen, om opeens heel boos te worden. Ook heeft het een afkeer van lichamelijk contact en vertoont het weinig of geen affectie.
Het ontremde type zoekt juist toenadering tot iedereen, ook naar vreemde mensen toe. Het maakt geen onderscheid tussen vertrouwde personen en vreemden. Het kind wordt ook snel boos en voelt zich vaak tekortgedaan.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen hechtingsproblematiek en een hechtingsstoornis. Hechtingsproblematiek is over het algemeen minder ernstig en komt bij 25 tot 30 % van de bevolking voor. Deze is vaak goed te behandelen en de kinderen zijn vaak wel benaderbaar. Kinderen met een hechtingsstoornis zijn vaak in het geheel niet gehecht, en dit is zeer moeilijk te behandelen. Een hechtingsstoornis komt voor bij ongeveer 1% van de bevolking.

Klik hier voor een overzicht van de kenmerken van hechtingsproblematiek.

Bronvermelding: