Kenmerken van hechtingsproblematiek

Hechtingsproblematiek is te herkennen aan een aantal kenmerken. Niet ieder kind met deze kenmerken heeft last van hechtingsproblematiek, en het hebben van enkele kenmerken hoeft ook niet meteen reden tot zorg te zijn. Dit artikel is enkel bedoeld als richtlijn. Schakel daarom bij twijfel altijd een deskundige in. Soms gebeurt het dat kinderen ten onrechte worden gediagnosticeerd met bijvoorbeeld adhd of autisme, terwijl er eigenlijk sprake is van hechtingsproblematiek of een hechtingsstoornis, omdat de symptomen vaak overeenkomen. De hier genoemde symptomen overlappen elkaar deels, omdat ze een symptoom van hetzelfde probleem zijn. Controledrang is bijvoorbeeld ook een copingstrategie.

Hyperactief gedrag (druk of beweeglijk zijn, hard praten, anderen vaak onderbreken)
Vaak wordt dit verward met adhd, maar een kind met hechtingsproblematiek doet dit om zelf de controle te houden over de prikkels die binnenkomen. Hij doet dit immers zelf en kan er zelf voor kiezen om ermee te stoppen.

Zich afsluiten van prikkels (teruggetrokken zijn, dissociatief gedrag, moeite om het kind te bereiken, vermijdingsgedrag, basale behoeften niet opmerken)
Als een kind teveel prikkels binnenkrijgt, gaat het zich hiervan afsluiten. Je kunt het kind dan bijvoorbeeld vijf keer een vraag stellen, maar er komt geen antwoord. Het kind negeert je niet bewust, maar heeft zich helemaal afgesloten voor de buitenwereld. Soms voelen deze kinderen niet aan of ze honger of dorst hebben, naar het toilet moeten of moe zijn.

Emotieregulatieproblemen (woedeaanvallen, snel boos of agressief, hysterisch huilen, snel enthousiast kunnen zijn over kleine dingen, snel wisselen van emotie: zomaar ineens heel boos kunnen worden om iets)
Kinderen met hechtingsproblematiek reageren soms sterk vanuit hun emoties en hebben deze moeilijk onder controle. Het gebeurt geregeld dat ze boos worden om een relatief kleine aanleiding, of zelfs een aanleiding die we niet eens herkennen. Sommige kinderen gaan schelden, met deuren slaan, spullen kapotmaken of anderen pijn doen. Anderzijds kunnen ze soms dolenthousiast worden over het feit dat ze een liedje mogen zingen voor sinterklaas of omdat ze nieuwe sokken hebben gekregen. Als hen iets overkomt wat hen van streek maakt, bijvoorbeeld een klein blaartje, kunnen ze soms reageren alsof hun been wordt geamputeerd. Al deze emoties dienen gepaste aandacht te krijgen, maar ik merk dat boosheid het lastigst is om goed mee om te gaan. Als een kind huilt troost je het, als het blij is dan kun je meedoen met zijn vrolijkheid, maar als een kind boos wordt moeten we niet op dezelfde manier gaan reageren, maar juist kalm blijven en ook deze emotie helpen kanaliseren.

Boos kind

Behoefte aan controle (dwars en opstandig gedrag, dwingend gedrag, de grenzen opzoeken, moeite hebben met het accepteren van gezag, weigeren te eten, grote behoefte aan autonomie, excessief ordenen)
Omdat de wereld om hen heen zo chaotisch en ongrijpbaar is, zal het kind er alles aan doen om de omgeving te controleren voor zover het dit in zijn macht heeft. Als het kind weigert te doen wat hem gevraagd wordt, gebeuren er dingen die hij onder controle heeft. Het kind heeft ook grote behoefte om erachter te komen wat er gebeurt als het iets niet doet of als het over je grens heengaat. Dit versterkt zijn gevoel van controle. Een kind dwingen iets te doen zorgt voor een machtsstrijd waarbij eigenlijk geen winnaars zijn. Het is daarom beter om het kind zoveel mogelijk keuzes te geven op gebieden waarop het deze keuze aankan en waarbij de gevolgen acceptabel zijn (zoals eigen kleren uitkiezen, zelf het fruit kiezen om mee naar school te nemen, kiezen of het zelf zijn tanden wil poetsen of het wil laten doen, etc.). Het zal dan op die momenten waarop het echt van belang is beter naar je luisteren. Houd wel rekening met wat het kind aankan. Geef bijvoorbeeld maar twee of drie keuzes, waarbij je zelf achter alle keuzemogelijkheden moet staan, ongeacht welke het uiteindelijk wordt. Bij teveel keuzes bestaat het risico op overprikkeling.

Angstig en gevoelig voor prikkels (snel overprikkeld zijn, slecht slapen, hyperalert zijn, gespannen en nerveus zijn, overdreven van streek door schrammetjes, blauwe plekken, etc., gevoelig voor afwijzing, faalangst)
Veel kinderen met hechtingsproblematiek zijn heel gevoelig voor alles wat er om hen heen gebeurt. Ze hebben ‘oren op steeltjes’ en zien alles wat er om hen heen gebeurt. Ze zijn angstig, prikkelbaar en nerveus en er is maar weinig voor nodig om hen uit balans te brengen. Veel van deze kinderen zijn heel gevoelig voor kritiek. Dit geldt niet alleen voor kritiek op het kind als persoon, maar zelfs voor kritiek op het gedrag. Wij hebben geleerd om feedback altijd te richten op het gedrag en niet op de persoon zelf, maar bij deze kinderen zit de faalangst en onzekerheid zo diep verankerd dat ze ook dit ervaren als een persoonlijke aanval.

Claimgedrag (voortdurend aandacht vragen, veel moeite met afscheid nemen, zichzelf niet of moeilijk kunnen vermaken)
Sommige kinderen met hechtingsproblematiek claimen anderen enorm en vragen voortdurend om aandacht. Ieder veilig gehecht kind heeft moeite met afscheid nemen, maar onveilig gehechte kinderen kunnen in paniek raken en zich aan je vastklampen. Wat ik vaak hoor van pleegouders is dat kinderen met hechtingsproblematiek zichzelf heel slecht kunnen vermaken. Ik denk dat ook dit onder claimgedrag valt. Ze hebben voortdurend aandacht nodig, ook bij het spelen.

Anderen negeren (contact vermijden, geen troost zoeken)
Andere kinderen met hechtingsproblematiek zijn vermijdend gehecht en zullen juist het contact met anderen vermijden. Ze lijken dan heel zelfstandig, maar eigenlijk vragen ze niet meer om hulp omdat ze deze hulp niet meer verwachten. Ze zijn gewend geraakt al hun problemen zelf op te moeten lossen.

Relationele problemen (aantrekken en afstoten, snel vluchtige contacten leggen, moeite met diepe relaties aangaan, manipuleren binnen relaties, weinig vertrouwen in volwassenen, de clown uithangen)
Veel kinderen leggen wel snel contact met anderen, maar dit is slechts vluchtig van aard en houdt niet lang stand. Vanwege negatieve ervaringen hebben zij weinig vertrouwen in volwassenen. Wij zullen moeite moeten doen om hun vertrouwen te winnen. Dit kan veel tijd kosten. Sommige kinderen hebben in de gaten dat ze met clownsgedrag positieve aandacht krijgen in een groep. Ze gaan dan bijvoorbeeld grapjes maken, leuke verhaaltjes vertellen en dansjes doen. Mensen raken hierdoor gecharmeerd en het kind weet al welk masker het op moet zetten in groepen om geaccepteerd te worden. Intense relaties (zoals met (pleeg)ouders) kunnen beangstigend zijn, en dit is de reden dat ze soms alles uit de kast trekken om ons te irriteren. Ze willen testen of we ook dan van ze blijven houden. Sommige kinderen doen dit ook uit controledrang. Als ze dan weggestuurd worden komt het tenminste door iets dat ze zelf in de hand hebben. Sommige kinderen voelen zich ongemakkelijk bij mensen die lief voor hen zijn, met name kinderen die uit een gezin komen waar veel sprake was van (verbaal) geweld. Hoe vreemd het ook klinkt, ze hebben liever dat mensen boos op ze zijn, want dit kennen ze.

Problemen met empathie en zelfinzicht (moeite met aanpassen aan een ander, moeite met inlevingsvermogen, weinig zelfinzicht, snel de schuld aan anderen geven)
Veel kinderen met hechtingsproblematiek zijn erg gericht op hun eigen behoeftebevrediging. Logisch, als je je bedenkt dat veel van deze kinderen zijn verwaarloosd in hun jeugd en het basisvertrouwen dat in hun (primaire) levensbehoeften wordt voldaan ontbreekt. Ze voelen zich dan ook snel tekort gedaan en zullen het moeilijk vinden om in te zien dat zij zich soms moeten aanpassen ten behoeve van een ander. Het is niet zo dat empathisch vermogen ontbreekt (getraumatiseerde kinderen kunnen bijvoorbeeld bijzonder zorgzaam reageren als je je teen stoot), maar ze komen er niet aan toe zolang ze van streek zijn over hun eigen behoeften. Ze hebben vaak ook moeite om in te zien dat iets negatiefs dat hen overkomt het gevolg is van hun eigen actie en hebben de neiging om de schuld hiervan bij een ander te leggen. Voor een deel overlapt dit ook met de leerproblemen die deze kinderen kunnen hebben.

Copingstrategieën (liegenfantaseren, thuis anders zijn dan op school)
Ieder kind liegt wel eens, en dit heeft verschillende oorzaken. Bij kinderen met hechtingsproblematiek kan dit ook een soort van overlevingsstrategie zijn geworden, omdat de gevolgen van eerlijk zijn te beangstigend voor hen zijn (bijvoorbeeld mishandeling of vernedering) of omdat ze nooit het goede voorbeeld hebben gekregen. Soms is liegen ook geen liegen in de echte zin van het woord, maar zijn ze aan het fantaseren. Ook gebeurt het dat kinderen zich thuis anders gedragen dan op school.

Leerproblemen (problemen met rekenen, moeite met koppeling van oorzaak en gevolg, ongevoelig voor beloningen en straffen, korte aandachtsboog, moeite met plannen, weinig tijdsbesef, moeite met opruimen)
Doordat kinderen met hechtingsproblematiek veel stress ervaren en hun hersenen zich hierdoor wat anders ontwikkelen komen zij vaak niet toe aan leren op de wijze zoals veilig gehechte kinderen dit doen. Dit levert ook leerproblemen op. Ze kunnen zich slecht concentreren en zijn snel overweldigd. Ze kunnen daardoor ook slecht vooruitkijken. Vaak duurt het even voordat het kwartje valt van oorzaak en gevolg. Ze leggen moeilijk het verband tussen hun eigen gedrag en de consequenties ervan. Het opruimen van spullen gaat vaak moeilijk, zeker als het veel is, omdat ze overweldigd raken door de hoeveelheid spullen en niet meteen in hun hoofd kunnen ordenen waar alle spullen horen. We kunnen de kinderen helpen met deze problemen, door het goede voorbeeld te geven, steeds te herhalen, dingen samen met hen te doen en vooral niet te vergeten dat een lange adem wonderen doet.

Geen ervaring in de omgang met spullen (geen waarde hechten aan spullen, niet spelen met speelgoed, verkwisten van gebruiksartikelen, de waarde van geld niet zien)
Deze kenmerken houden vaak ook verband met de kenmerken die genoemd zijn bij de leerproblemen. Daarbij speelt een rol dat de kinderen vaak niet hechten aan spullen, zodat het geen pijn doet als ze weer worden afgenomen. Zo lijkt het hen ook weinig te doen als ze hun eigen spullen kapotmaken. Anderzijds wil ze wel steeds nieuwe spullen als ze die ziet bij een vriendinnetje, in een reclame of in de speelgoedwinkel. Zodra ze iets nieuws heeft gekregen is ze haar interesse echter snel kwijt. Wat ook veel voorkomt bij kinderen met hechtingsproblematiek is dat ze zeer royaal zijn in het gebruik van artikelen als toiletpapier, douchegel of hagelslag. Waarschijnlijk is dit een soort van hamstergedrag. Bewaar daarom dure gebruiksartikelen buiten bereik, en geef het kind kleine, goedkope of aangebroken verpakkingen om te gebruiken. Ik heb in ieder geval gemerkt dat nieuwe, volle potten en flessen een veel grotere aantrekkingskracht hebben dan aangebroken verpakkingen. Met de tijd gaan ze het wel leren (of misschien pas als ze de spullen zelf moeten kopen), maar in de tussentijd bespaar je jezelf op deze manier veel geld. Ook hier geldt: houd een lange adem en blijf zelf het goede voorbeeld geven.

Bronvermelding:

  • wij-leren.nl
  • Femke van Roozendaal, Domino-effect van onveilige hechting, geraadpleegd via kiind.nl, gepubliceerd op 16 december 2016
  • Inge Vandeweege, Een (h)echte uitdaging, Aurora training Uitgeverij (2018)

Daarnaast heb ik geput uit mijn eigen ervaringen en die van andere (pleeg)ouders van kinderen met hechtingsproblematiek.