In Genesis 1:1 tot en met 2:7 lezen we hoe God de aarde heeft geschapen. Zie je hoe prachtig Hij dit heeft gedaan? God heeft alles op zijn tijd geschapen, met orde, regelmaat en rust. Hij heeft heel goed nagedacht over wat er wel en niet moest komen en in welke volgorde. Zes dagen werkte Hij, en de zevende dag rustte Hij. Dag en nacht wisselen elkaar af, de seizoenen wisselen elkaar af. Er is afwisseling, maar ook een duidelijke structuur en regelmaat. God bracht orde in de chaos aan. Deze orde en structuur is hoe God ons leven bedoeld heeft en dit is heel wat anders dan het drukke leven zoals wij het nu kennen. Niet alleen onze kinderen, maar wij allemaal worden ernstig overprikkeld, waarbij we worden geacht continu door te gaan en alles tegelijk aan te kunnen. Geen wonder dat veel mensen hier ziek van worden. Vragen onze kinderen niet ten eerste om structuur en rust?
Getraumatiseerde kinderen en kinderen met hechtingsproblematiek hebben snel last van overprikkeling doordat zij bijvoorbeeld hyperalert zijn. Maar ook kinderen met bijvoorbeeld adhd of autisme hebben hier snel last van. En eigenlijk is het voor ieder kind goed om niet teveel geprikkeld te worden. Veel gezonde kinderen zijn veerkrachtig genoeg om een teveel aan prikkels op te vangen, maar juist door rust en regelmaat kan voorkomen worden dat gezonde kinderen ziek worden.
Door de kinderen rust en regelmaat te geven kunnen we een heleboel problemen voorkomen, in plaats van hen klaar te stomen voor een jachtige wereld omdat we vinden dat ze daar maar aan moeten wennen. Want het is nooit Gods bedoeling geweest dat wij ons aan zouden passen aan de wereld zoals deze nu is, maar juist dat wij zouden leven volgens het ritme van Zijn schepping. Hoe we onze kinderen verder ook opvoeden, het begint allemaal met het bijbrengen van structuur. Dit is de basis van alles.
In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water. God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht. God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis; het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.
God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’ En zo gebeurde het. God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven. Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag.
God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’ En zo gebeurde het. Het droge noemde hij aarde, het samengestroomde water noemde hij zee. En God zag dat het goed was.
God zei: ‘Overal op aarde moet jong groen ontkiemen: zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten dragen met zaad erin.’ En zo gebeurde het. De aarde bracht jong groen voort: allerlei zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten droegen met zaad erin. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd morgen. De derde dag.
God zei: ‘Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren, en ze moeten dienen als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde het. God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren. Hij plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde, om te heersen over de dag en de nacht en om het licht te scheiden van de duisternis. En God zag dat het goed was. Het werd avond en het werd morgen. De vierde dag.
God zei: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen.’ En hij schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was. God zegende ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’ Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag.
God zei: ‘De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren.’ En zo gebeurde het. God maakte alle soorten in het wild levende dieren, al het vee en alles wat op de aardbodem rondkruipt. En God zag dat het goed was.
God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’ God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ Ook zei God: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef ik de groene planten tot voedsel.’ En zo gebeurde het. God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag.
Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte hij van het werk dat hij gedaan had. God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig, want op die dag rustte hij van heel zijn scheppingswerk.
Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde. Zo ontstonden ze, zo werden ze geschapen.
In de tijd dat God, de Heer, aarde en hemel maakte, groeide er op de aarde nog geen enkele struik en was er geen enkele plant opgeschoten, want God, de Heer, had het nog niet laten regenen op de aarde en er waren geen mensen om het land te bewerken; wel was er water dat uit de aarde opwelde en de aardbodem overal bevloeide. Toen maakte God, de Heer, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levens wezen. (Genesis 1:1-2:7)